Lessen

De lessen

Tip: open deze site op twee tabbladen in je browser, dan kun je de lessen open hebben naast het venster waarin je programmeert!

Les 1

 

1.1

Een computerprogramma is net als een pannenkoekenrecept. Je zegt tegen de computer: “Doe eerst dit en doe dan dat". Maar computers zijn dom. Dus je moet precies vertellen wat je wilt dat ze doen. Als je een verkeerde instructie geeft, dan zal de computer een "error", een fout geven. Als je de uitkomst van 2 + 2 wilt weten, dan moet je dit heel nauwkeurig intikken:

 

print(2 + 2)

 

Print betekent: schrijf op het scherm. Wat tussen haakjes staat wordt op het scherm geprint. De som 2 + 2 rekent de computer voor je uit.

 

Probeer het maar op www.apical.nl/programmeren

 

 

1.2

Type nu eens iets anders dan print. Bijvoorbeeld schrijf.

 

schrijf(2 + 2)


Nu krijg je een Error. Dat betekent ‘Fout’. De computer snapt niet wat je bedoelt. Je kunt ook eens iets anders geks proberen. Wat dacht je van

 

print(a + b)

 

Weer een error. De computer is dom. Maar als je goed kijkt zie je dat het een andere fout is dan de vorige keer.

 


1.3

Waar de computer wel goed in is, is meerdere opdrachten na elkaar uitvoeren. Tik het volgende programma maar eens in:

 

print(1 * 7)

print(2 * 7)

print(3 * 7)

print(4 * 7)

 

en klik dan op Run. Goh, wat is die computer goed in de tafel van zeven!

 


1.4

Voor sommige rekenopdrachten gebruikt de computer andere tekens dan wij. Zo is ‘keer’ een * in plaats van een x.

En gedeeld door is / in plaats van :

 

Bekijk de pagina De Taal en dan het blokje Rekenen maar eens op www.apical.nl/taal

 

Oefenen doen we door de volgende programmaatjes te maken:

 

  1. Maak een programma dat 200 en 300 bij elkaar optelt
  2. Maak een programma dat 1000 – 671 uitrekent
  3. Maak een programma dat 12 keer 6 uitrekent
  4. Maak een programma dat 1000 deelt door 20



1.5

Behalve rekenen, kan de computer ook met teksten omgaan. Probeer eens je eigen naam op het scherm te laten tonen door de computer:

 

print(‘Mijn naam is Rob’)

 

Het verschil tussen tekst en cijfers is dat tekst tussen ‘ en ‘ staat. Tik het volgende programma maar eens in en bekijk het resultaat als je op Run hebt geklikt:

 

print(2 + 2)

print(‘2 + 2’)

 

Waarom laat de computer eerst 4 zien en daarna “2 + 2”? Omdat het eerste een getal is, dat door de computer wordt uitgerekend. En de tweede is tekst waar de computer niets mee doet. De computer is echt dom! Bekijk maar eens wat-ie doet als je het volgende programma maakt:

 

print(‘5 + 5 = 20’)

 

Als we het over tekst hebben, bijvoorbeeld ‘Rob’, dan heet dat in computertaal een ‘string’. Cijfers heten in computertaal ‘numbers’.


 

1.6

Behalve print() hebben programmeertalen nog meer opdrachten die de computer herkent. Bijvoorbeeld paste(). Als je in een opdracht paste() gebruikt, dan plakt de computer twee strings (teksten dus) aan elkaar, als je er een komma tussenzet. Die gecombineerde strings kun je dan vervolgens weer op het scherm tonen met print(). Voorbeeld:

 

print(paste(‘Mijn naam is: ‘, ‘Rob’))

 

Je kunt ook een string met een number (cijfer) combineren. Als volgt:

 

print(paste(‘10 x 7 = ‘, 10*7))

 

Met paste() kun je ook drie zaken aan elkaar knopen. Probeer eens een programma te maken dat laat zien hou oud je bent, door eerst een string (tekst) te gebruiken ‘Ik ben’ gevolgd door een cijfer (namelijk je leeftijd) en dan ‘jaar oud’.

Les 2

 

2.1

Met de opdracht nchar() kun je aan de computer vragen hoelang een tekst is, of beter gezegd hoeveel letters er in een string zitten.

 

print(nchar(‘Duizendbommenengranaten’))

 

laat zien hoeveel letters er in deze bekende uitspraak van Kapitein Haddock zitten.

 

Maak een programma dat de volgende tekst op het scherm toont:

 

Ik heet Rob en mijn naam is 3 letters lang.

 

Maar dan zo dat Rob wordt vervangen door je eigen naam en dat de computer de lengte van je naam uitrekent.


 

2.2

Een computer kan ook beslissingen nemen. Dat moet wel heel precies: iets is zwart of wit, waar of niet waar, nul of één. Het woordje waarmee je kunt testen of iets waar is, is if. Dat betekent als in het Nederlands.

 

Een voorbeeldprogramma: als de lengte van je naam korter is dan 5 letters, heb je een korte naam. Als de lengte van je naam groter of gelijk aan 5 letters is, dan heb je een lange naam. In computertaal:

 

if (nchar('Rob') < 5)

{

   print(‘Je hebt een korte naam')

} else

{

   print('Je hebt een lange naam')

}


 

2.3

Nu de programma’s die we maken iets ingewikkelder worden, is het goed om te weten dat je voor jezelf uitleg op kunt nemen in je programma, zonder dat de computer er iets mee doet. Je krijgt er dus ook geen foutmelding op. Iedere regel die begint met een #, daar doet de computer niets mee.

 

Een voorbeeld:

 

#

# Dit programma laat de uitkomst van 10 keer 7 zien

#

print(paste('10 keer 7 =', 10*7))

 

Een regel die met # begint, heet een commentaarregel. Het opnemen van commentaarregels zorgt ervoor dat, als je een programma bekijkt dat door iemand anders is geschreven, je sneller snapt wat de bedoeling is!

Meer informatie over de programmeertaal R vind je op:

Copyright @ All Rights Reserved